Handhaving

Tijdens de initiële inspectie en de vervolginspecties bij PBZO- en VR-plichtige bedrijven worden bevindingen gedaan. Deze leiden tot vier mogelijke conclusies:

  • er wordt vastgesteld dat de situatie voldoet. Er vinden geen vervolgactiviteiten plaats;
  • de bevinding is onvoldoende zwaar om tot een overtreding te leiden. Het is in die situatie de nadrukkelijke verantwoordelijkheid van het bedrijf om verbeteracties uit te voeren. Wordt bij een eerstvolgende inspectie in gelijke omstandigheden opnieuw een dergelijke bevinding gedaan, dan is dit in beginsel geen aanleiding om alsnog tot handhaving over te gaan. Tenzij goed gemotiveerd kan worden waarom in een tweede termijn wel voor handhaving wordt gekozen. In ieder geval kan deze bevinding aanleiding zijn het functioneren van het beheerssysteem bij het bedrijf nadrukkelijk aan de orde te stellen;
  • er wordt vastgesteld dat de situatie niet voldoet en dat dit aan te merken is als een overtreding van een wettelijke bepaling. De inspectiepartners maken onderling een afspraak welke handhaving door wie wordt ingezet. De voornemens tot handhaving worden aan het bedrijf kenbaar gemaakt, met inachtneming van een termijn waarbinnen de overtreding moet zijn opgeheven. Na deze termijn wordt door de inspectiediensten gecontroleerd;
  • het is ook mogelijk dat enkele bevindingen die afzonderlijk niet zwaar genoeg zijn om tot een overtreding te leiden, gezamenlijk wijzen op een structureel tekort ten aanzien van een onderwerp of thema en zodoende een overtreding opleveren.

Indien een handhavingstraject wordt ingezet, wordt dit door de verantwoordelijke inspecteur los van de inspecties in het meerjareninspectieplan (MIP) vervolgd. Dat wil zeggen dat controles op het realiseren van de naleving geen onderdeel uitmaken van de inspectiestructuur.