Waterwet

Op grond van de Waterwet is het in beginsel verboden zonder Watervergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen te lozen in het oppervlaktewater. Voor bepaalde lozingen kan de vergunningplicht zijn vervangen door algemene regels (Activiteitenbesluit).
Lozingen ten gevolge van calamiteiten (rampen en zware ongevallen) kunnen slechts beperkt op grond van de Waterwet worden gereguleerd.

Omdat het effect van dit soort lozingen op oppervlaktewater echter erg groot kan zijn, is het bevoegd gezag Waterwet aangewezen als adviseur in het kader van het Brzo 1999. In deze adviesrol beoordeelt het bevoegd gezag Waterwet de gevolgen van een ramp of zwaar ongeval voor het oppervlaktewater, de zogenoemde milieurisicoanalyse (MRA). Om deze MRA te kunnen opstellen, is door de voormalige Commissie Integraal Waterbeheer (CIW, waarvan de taken inmiddels zijn overgenomen door het Landelijk Bestuur Overleg Water (LBOW)) een computermodel ontwikkeld: Proteus. Dit model kan door bedrijven gebruikt worden voor het modelleren van de risicobronnen en -paden. Vervolgens wordt een berekening gemaakt van de watereffecten van mogelijke ongevallen (zowel naar oppervlaktewater als naar een waterzuiveringsinstallatie).

Meer informatie over Proteus, de selectie van risicoactiviteiten en de beoordeling van de stand van de veiligheidstechniek is te vinden op de website Helpdesk Water. Eventuele consequenties van deze risicoanalyse (zoals risicobeperkende maatregelen) moeten, voor het merendeel van de maatregelen, via het bg Wabo concreet gemaakt worden in vergunningvoorschriften.

Niet ieder Brzo-bedrijf is relevant voor de Waterwet. De basis voor het bepalen of een bedrijf ‘waterrelevant’ is, is opgenomen in de nota Integrale aanpak van risico’s van onvoorziene lozingen van het LBOW. Deze nota is opgesteld vóór de inwerkingtreding van de Waterwet (december 2009) en kan op dat punt dus achterhaald zijn.