Omgevingsvergunning (Wabo)

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. De Wabo voegt een groot aantal vergunningen en ontheffingen samen tot één vergunning, de omgevingsvergunning.

In de omgevingsvergunning zijn zo veel mogelijk toestemmingsbesluiten gebundeld die nodig zijn voor het realiseren van een project. Het gaat dus om activiteiten als bouw, aanleg, oprichten, gebruik en sloop, die plaatsgebonden zijn en gevolgen hebben voor de fysieke omgeving. Het plaatsgebonden zijn van de activiteiten betekent dat de omgevingsvergunning geen betrekking heeft op toestemmingstelsels voor niet-plaatsgebonden activiteiten, zoals het vervoer van explosieven of andere gevaarlijke stoffen of het overbrengen of inzamelen van afvalstoffen.

Het gaat niet alleen om vergunningen die zijn gebaseerd op ruimtelijke ordening, bouwen en milieu, maar ook om wetten die onder de verantwoordelijkheid van andere ministeries vallen, zoals monumenten, natuurbescherming en flora en fauna.

In het Besluit omgevingsrecht (BOR) zijn de vergunningplichtige categorieën van bedrijven benoemd naar bevoegd gezag. In beginsel zijn de burgemeester en wethouders het bg Wabo, maar voor specifieke bedrijven en situaties zijn de Gedeputeerde Staten of de minister bevoegd gezag. In het BOR zijn bovendien bepalingen opgenomen ten aanzien van de onderlinge afstemming. Specifiek voor het Brzo 1999 gaat het om het informeren van andere bestuursorganen (inclusief buurlanden bij grensoverschrijdende risicocontouren) over de risico’s en over het veiligheidsrapport.

Daarnaast is in de Ministeriele Regeling omgevingsrecht (MOR) vastgelegd welke informatie bij een vergunningaanvraag milieubeheer vereist is. Het veiligheidsrapport (VR) is daarbij een van de vereisten voor VR-plichtige bedrijven.