T1 - Kwaliteitscriteria BRZO-inspecteurs

Het BRZO-toezicht wordt in gezamenlijkheid uitgevoerd door het bevoegd gezag Wabo, de Inspectie SZW, de veiligheidsregio en het bevoegd gezag Waterwet. Het BRZO-toezicht vraagt specifieke kennis en kunde van inspecteurs. Reeds sinds 2005 is een maatlat ontwikkeld om de kwaliteit van de uitvoerende BRZO-overheidsorganisaties te kunnen meten. De maatlat is in 2012 vervangen door kwaliteitscriteria voor inspecteurs. De kwaliteitscriteria dienen onverkort (dus zonder nuancering/afzwakking) als uitgangspunt te worden genomen. Er wordt onderscheid gemaakt in criteria voor het kernteam en criteria voor de specialisten.

Kernteam
VMS-inspecteurs van het bevoegd gezag Wabo, de veiligheidsregio, de Inspectie SZW en de waterkwaliteitsbeheerder worden gezien als kernteam. Voor het kernteam geldt voor de deskundigheid en organisatorische borging de volledige set van kwaliteitscriteria zoals opgenomen in onderstaande tabel.

Onderdeel Eisen aan VMS-inspecteurs (Brzo) van het kernteam
Opleiding
  • Basisopleiding HBO (een technische richting bijvoorbeeld chemische technologie, werktuigbouwkunde)
  • Aanvullende opleiding: Basiscursus Auditor
  • Aanvullende opleiding: NIM
Werkervaring
  • 4 jaar relevante werkervaring met inrichtingen met gevaarlijke stoffen, waarvan minimaal 2 jaar in uitvoering Brzo-activiteiten en 2 jaar Safety, milieu of kwaliteits-management
Kennis
  • Kennis van technische procesvoering rond gevaarlijke stoffen (onder andere chemische reactieprocessen, unitoperations incl. methoden waarmee de te analyseren systemen of installaties worden beschreven, technische systeembeveiliging, -specifieke risicoanalyse technieken)
  • Kennis van risicomanagement, risicomanagementinstrumenten, veiligheidsbeheerssystemen
  • Auditkennis met VBS
Frequentie
  • Minimaal 1/2 FTE BRZO-inspectiewerk aangevuld tot tenminste 2/3 FTE met aanverwante werkzaamheden gericht op risicovolle bedrijven*
  • Aanvullend: 4 volledige audits per inspecteur per jaar

* = voor het bevoegd gezag Waterwet geldt alleen 1/2 FTE BRZO-inspectiewerk

Het is noodzakelijk dat de inspecteurs ieder op hun vakgebied hun kennis behouden, ontwikkelen en gebruiken en daarom een minimum aantal uren, namelijk 2/3 van een FTE, aan dit vakgebied moeten besteden. De tijdeis is als volgt opgebouwd: de 2/3 FTE bestaat voor minimaal 1/2 FTE uit BRZO-inspectiewerk. De resterende uren binnen de tijdeis kunnen vrijer worden ingevuld, in de zin dat werkzaamheden gerelateerd aan het inspectiewerk op risicovolle bedrijven hier ook onder vallen. Dit betekent dat het kan gaan om inspectiewerkzaamheden (ook anders dan BRZO) bij dezelfde of bij vergelijkbare bedrijven, maar ook om aanpalend werk zoals deelname aan specialistische werkgroepen of kennisnetwerken. De rol van het bevoegd gezag Waterwet in het BRZO-toezicht wijkt af van die van de andere BRZO-toezichthouders. Om deze reden geldt voor BRZO inspecteurs van het bevoegd gezag Waterwet alleen de eis van 1/2 FTE BRZO-inspectiewerk.
Om de kwaliteit van het toezicht stevig te borgen zal een BRZO-inspecteur minimaal 4 inspecties per jaar moeten uitvoeren.

Specialisten
Voor specialisten is geen set van kwaliteitscriteria geformuleerd, zoals dat voor het kernteam wel is gedaan. Specialisten worden ingezet op basis van specifieke vakinhoudelijke kennis (zie ook de Wabo Kwaliteitscriteria 2.1). Van specialisten wordt verwacht dat ze beschikken over een basisniveau auditvaardigheden om managementsystemen te kunnen beoordelen De specialist moet die taal kunnen verstaan om goed te kunnen communiceren met de kernteamleden. Uitvoeringsorganisaties dienen de
kerncompetenties van specialisten voor wat betreft de organisatorische borging zelf op landelijk niveau te formuleren. De organisatorische borging geldt voor de vakspecialisten voor hun vakgebied. Het specialisme hoeft dus niet alleen ten behoeve van het BRZO-toezicht te worden onderhouden.

Overgangsregeling bestaande inspecteurs
De kwaliteitcriteria voor inspecteurs van het kernteam gaan uit van een technische vooropleiding op minimaal HBO-niveau. Inspecteurs zonder dergelijke vooropleiding die door werkervaring op een vergelijkbaar niveau acteren, voldoen dus niet aan de opleidingseis. Voor bestaande inspecteurs geldt een overgangsregeling.
Bestaande inspecteurs zonder technische HBO-opleiding moeten binnen 3 jaar na inwerkingtreding van de kwaliteitscriteria (1 januari 2013) middels een assessment het vergelijkbaar niveau aantonen. Het assessment moet resulteren in een op schrift vastgelegde competentiebeoordeling. Afhankelijk van de vooropleiding van de betreffende inspecteur zal het assessment betrekking hebben het niveau (HBO) en/of de oriëntatie (technisch). Het assessment wordt afgenomen door een onafhankelijk instituut.
Voor nieuwe inspecteurs - inspecteurs die na 1 januari 2013 worden ingezet op de taken zoals benoemd in deze notitie - geldt de overgangsregeling niet.
Er geldt ook geen overgangsregeling voor bestaande inspecteurs die te weinig werkervaring hebben. Zij kunnen de benodigde inspectie-ervaring opdoen door met een kernteam van ervaren inspecteurs ‘mee te lopen'. Zodra voldoende ervaring is opgedaan en de benodigde opleidingen zijn gevolgd, kunnen zij worden ingezet als gekwalificeerd inspecteur. Dit is gangbare praktijk.

Bijzondere omstandigheden
Door omstandigheden kan het voorkomen dat inspecteurs niet aan de tijdeis van 2/3 FTE kunnen voldoen. Vanwege een dergelijke omstandigheid kan de directie van een maatlatorganisatie besluiten om van het tijdscriterium voor een bepaalde inspecteur af te wijken. Dit kan alleen in de volgende gevallen:

Er is sprake van een bijzondere situatie, zoals:

  • ziekte of herintreding na ziekte;
  • zwangerschapsverlof, buitengewoon verlof, ouderschapsverlof;
  • inzet op een project of activiteit binnen de eigen organisatie.

Er is sprake van vermindering arbeidsduur aan het eind van de loopbaan
Medewerkers met een langdurig dienstverband kunnen op het eind van hun loopbaan mogelijk gebruik willen maken van vermindering van de arbeidsduur. Daardoor kan het voorkomen dat de grens van 2/3 FTE niet meer wordt gerealiseerd. Op grond van hun meerjarige ervaring is het echter wel wenselijk dat inspecteurs actief in het specifieke werkveld blijven.
Voor deze situaties geldt een ondergrens van 1/2 FTE.
Uiteraard is het niet toegestaan om een zelfde uitzondering te maken voor inspecteurs die als gevolg van een keuze om in deeltijd te gaan werken onder de grens van 2/3 FTE uitkomen.

De afwijking van de tijdeis en de daaraan ten grondslag liggende reden worden bij besluit van de directie vastgelegd en gedocumenteerd.