Vijf hoofdvragen

De inspecteur heeft als leidend kader bij de inspecties vijf hoofdvragen waaraan de drie beoordelingsgrondslagen (gedocumenteerd, geschikt en geïmplementeerd) verbonden zijn. De vijf hoofdvragen vormen de rode draad door alle inspectie-activiteiten en een inspecteur behoort deze vragen uit zijn hoofd te kennen. De hoofdvragen zijn als volgt:

  • zijn de juiste gevaren en de daaruit voortkomende risico’s onderkend?
  • zijn de juiste maatregelen getroffen?
  • worden de maatregelen goed onderhouden?
  • is er een deugdelijk beheerssysteem waarmee het onderkennen van gevaren en risico’s, het treffen van de juiste maatregelen en het onderhouden van die maatregelen is geborgd?
  • voert het bedrijf, alles overziend, het juiste preventiebeleid?

De inhoudelijke modules van de inspectiemethode dienen als hulpmiddel bij een eenduidige beantwoording van de vijf hoofdvragen. Het succes van een inspectie kan worden afgemeten aan het feit of de vragen inderdaad helder en eenduidig beantwoord kunnen worden. Alhoewel sommige modules niet op alle vijf de hoofdvragen direct een antwoord geven, moet bij het opstellen van het MIP rekening worden gehouden dat na vijf jaar wel alle hoofdvragen beantwoord zijn.

De hoofdvragen kunnen alleen worden beantwoord als de waarnemingen aan bepaalde toetscriteria voldoen waardoor de situatie op zijn merites kan worden beoordeeld. In onderstaand schema zijn deze toetscriteria weergegeven.

Schema: Toetscriteria bij inspecties

deelcschema64igif19kb

Er moet niet alleen inzicht verkregen worden of de juiste maatregel getroffen is (gegeven een gemaakte risico-inschatting), maar ook of het bedrijf in staat is de veiligheid te beheersen en die continu te verbeteren. De inspectiemethode bewerkstelligt dat er antwoord wordt verkregen op deze vragen en koppelt dit aan criteria.