Module 7.2 - Thema ATEX

Kernvraag

Voldoet het bedrijf aan de verplichtingen van de ATEX 137 en heeft het bedrijf dit in hun VMS opgenomen?

Inleiding

De Europese Commissie heeft regels opgesteld om veilig te kunnen werken op plekken waar kans op explosie is. Deze regelgeving is vastgelegd in de ATEX 137-richtlijn (Europese Richtlijn: 1992/92EG) en in de ATEX 95-richtlijn (84/9/EG). De ATEX 137 richt zich op het werken in explosieve atmosferen en de ATEX 95 richt zich op fabrikanten en leveranciers van apparatuur dat wordt gebruikt in explosieve atmosferen.

In Nederland is de ATEX 137-richtlijn geïmplementeerd in hoofdstuk 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, paragraaf 2a Explosieve atmosferen (artikel 3.5a tot en met artikel 3.5f). Het betreft daarbij een zogenaamde platte (een op een) implementatie van Europese wetgeving. Het toezicht op de naleving van paragraaf 2a Explosieve atmosferen ligt expliciet bij inspecteurs van de Inspectie SZW. In deze module zal verder gesproken worden over ATEX 137 in plaats van paragraaf 2a Explosieve atmosferen.

Met behulp van deze module kan tijdens een inspectie in het kader van artikel 24 van het Brzo 1999 beoordeeld worden of het bedrijf de verplichtingen uit de ATEX 137 in combinatie met artikel 5 lid 1 tot en met lid 3 van het Brzo 1999, het treffen van alle maatregelen en het hebben van een passend en werkend veiligheidsmanagementsysteem (VMS), in voldoende mate naleeft.

De ATEX 95-richtlijn is in Nederland geïmplementeerd via het Warenwetbesluit Explosieveilig materieel. Deze wetgeving is bestemd voor fabrikanten en leveranciers. Het toezicht op de naleving van de ATEX 95 wordt uitgeoefend door inspecteurs van de Inspectie SZW via het markttoezicht. In deze module zijn geen inspectiepunten voor het markttoezicht op de ATEX 95 opgenomen.

De ATEX 137-problematiek is zeer complex, met name door de uitwerking in diverse maatregelen in combinatie met de toepassing van de meer uitvoerende veiligheidsbeheerssyteem (VBS)-onderdelen. Daarom moet een apart opleidingstraject worden gevolgd. Zonder deze opleiding kan deze module niet door de betreffende inspecteurs worden gebruikt. Uiteraard kan bij de gezamenlijke inspectie-onderdelen van bijvoorbeeld het VBS en/of het Preventiebeleid Zware Ongevallen (PBZO) worden geïnspecteerd door inspecteurs zonder de eerder genoemde specifieke opleiding.

Deze module kent overlappingen met andere modules. Door Module 7.2 als uitgangspunt te nemen wordt een themagerichte inspectie gehanteerd. Om de vraagstelling van deze module te kunnen beantwoorden, kan de inspecteur ook gebruikmaken van Modules 1.0, 2.1, 2.3, 3.1 en 3.2.

Inspectievragen

  • Zijn de juiste gevaren en risico’s onderkend?
  • Zijn de juiste maatregelen getroffen?
  • Worden de maatregelen goed onderhouden?
  • Is er een deugdelijk beheerssysteem dat het bovenstaande borgt?
  • Voert het bedrijf, alles overziend, het juiste preventiebeleid?

De antwoorden op deze vragen leiden tot een antwoord op de kernvraag: Voldoet het bedrijf aan de verplichtingen van de ATEX 137 en heeft het bedrijf dit in hun VMS opgenomen?

Hulpbronnen:
Aandachtspuntenlijst ATEX (bijlage C15)

  • Arbeidsomstandighedenbesluit artikel 3.5 a tot en met 3.5 f
  • AI 34 titel ‘Veilig werken in een explosieve atmosfeer’
  • NEN-EN 13463-1 tot en met 8. Bepalingen niet elektrische materieel in explosiegevaarlijke omgeving
  • NEN-EN 1127 – 1 Voorkoming van en bescherming tegen ontploffingen
  • NPR-CLC/TR 50404:2003. Statische elektriciteit - Praktijkrichtlijn voor het vermijden van gevaren die door statische elektriciteit kunnen ontstaan
  • NEN-EN-IEC  60079 - 10 Classification of hazardous areas; Electrical apparatus for explosive gas atmospheres
  • NEN-EN-IEC 61241 - 10 Classification of areas where combustible dusts are or may be present
  • NEN-EN 50281-1-2(nl): 1998, Elektrische toestellen voor gebruik in de aanwezigheid van ontbrandbare stof - Deel 1-2: Elektrische toestellen beschermd door omhulsels - Keuze, installatie en onderhoud
  • NEN-EN-IEC 60079-14: 2001(nl), Elektrisch materieel voor plaatsen waar gasontploffingsgevaar kan heersen; Deel 14: Elektrische installaties in gevaarlijke gebieden (anders dan mijnen)
  • IEC 60079-17 Elektrisch materieel voor plaatsen waar gasontploffingsgevaar kan heersen - Deel 17: Inspectie en onderhoud van elektrische installaties in gevaarlijke gebieden
  • IEC 61241-17 Elektrisch materieel voor plaatsen waar stofontploffingsgevaar kan heersen - Deel 17: Inspectie en onderhoud van elektrische installaties in gevaarlijke gebieden
  • NPR 7910-1 Gevarenzone-indeling met betrekking tot ontploffingsgevaar - Deel 1: Gasontploffingsgevaar, gebaseerd op NEN-EN-IEC 60079-10
  • NPR 7910-2 Gevarenzone-indeling met betrekking ontploffingsgevaar – Deel 2 stofontploffingsgevaar, gebaseerd op NEN-EN 50281-3

module72gif14kb 7.2 Thema ATEX 7.2 Thema ATEX 7.2 Thema ATEX 7.2 Thema ATEX 7.2 Thema ATEX 7.2 Thema ATEX 7.2 Thema ATEX

Toelichting

1

Vaststellen randvoorwaarden en omvang van de inspectie

Er wordt vastgesteld op welke onderdelen van het bedrijf en op welke zaken, gerelateerd aan de ATEX 137, de inspectie zich richt. Als er een specifiek doel voor deze inspectie is gekozen, zullen ook daar randvoorwaarden uit voortkomen. Er kan bijvoorbeeld gekozen worden voor een beoordeling van de risicoanalyse. Op basis van een eventueel specifiek doel voor deze inspectie in combinatie met de uitkomsten van een eerder beoordeelde risicoanalyse kan echter ook voor een beoordeling van de maatregelen gekozen worden. Deze module kan dus op diverse onderdelen starten.

Afhankelijk van de bevindingen en van de resultaten uit eerdere inspecties worden bepaalde VBS-elementen of eventuele managementthema’s betrokken bij de inspectie. Aan de hand hiervan is dan meteen bepaald welke van de volgende stappen bij de inspectie een rol spelen en welke worden overgeslagen.

2

Beoordeling van de risicoanalyse
Inspectievraag: Zijn de juiste gevaren en risico’s onderkend?

De risicoanalyse is de basis voor het vaststellen van het juiste stelsel aan maatregelen. Beoordeeld moet worden of de methode die door het bedrijf wordt gehanteerd juist is en of de documentatie rondom het geheel op orde is.

De gevaren in verband met explosieve atmosferen moeten in hun geheel worden beoordeeld waarbij in ieder geval rekening wordt gehouden met:

  • de waarschijnlijkheid van het voorkomen en het voortduren van explosieve atmosferen;
  • de waarschijnlijkheid dat ontstekingsbronnen aanwezig zijn en daadwerkelijk ontsteken;
  • de installaties, de stoffen, de processen en hun wisselwerking;
  • de omvang van de te verwachten gevolgen;
  • aangrenzende ruimten.

Uiteindelijk moet van de identificatie van de gevaren en de beoordeling van de explosierisico’s worden aangegeven of deze goed zijn gedocumenteerd en of deze geschikt zijn. Voor de beoordeling op gedocumenteerd zijn van de gevaren en risicoanalyse is het volgende lijstje van toepassing:

  • een Explosieveiligheidsdocument (EVD) moet voldoen aan artikel 3.5c van het Arbeidsomstandighedenbesluit (nadere informatie over EVD is te vinden in AI 34);
  • alle noodzakelijke stofeigenschappen moeten vastliggen;
  • en up-to-date gevarenzone-indeling (niet ouder dan 5 jaar) voor stof en/of damp- en gasexplosiegevaar moet aanwezig zijn met achterliggende informatie hoe de zones tot stand zijn gekomen;
  • een inventarisatie moet aanwezig zijn van ontstekingsbronnen en de risicobeoordeling hiervan;
  • duidelijk moet zijn wat de wijze is waarop de risicobeoordeling van de ontstekingsbronnen heeft plaatsgevonden;
  • duidelijk moet zijn wat de wijze is waarop geborgd is dat de getroffen maatregelen in stand blijven.

De bevindingen over de risicoanalyse richten zich expliciet op de beoordelingsgrondslagen ‘gedocumenteerd’ en ‘geschikt’. De implementatie komt gedurende de verdere inspectie voor een gedeelte aan de orde, onder andere als wordt geïnspecteerd op juistheid en aanwezigheid van maatregelen.

3

Beoordeling van de maatregelen
Inspectievraag: Zijn de juiste maatregelen getroffen?

De gekozen maatregelen worden beoordeeld op juistheid, of ze in overeenstemming zijn met de vastgestelde gevarenzone, en of de maatregelen ook daadwerkelijk zijn aangebracht. Het kan hierbij zowel gaan om technische maatregelen als om organisatorische maatregelen. Voor dit gedeelte wordt een inspectie ter plekke uitgevoerd, bijvoorbeeld om te beoordelen of de vastgestelde gevarenzones ook daadwerkelijk herkenbaar zijn en of binnen het gebied de vastgestelde maatregelen zijn aangebracht.
Naast het aanwezig zijn moet ook worden geïnspecteerd of bijvoorbeeld procedures in orde zijn en of de juiste versies door betrokkenen (kunnen) worden gebruikt. Hierbij is extra aandacht voor ingehuurd personeel noodzakelijk.

Maatregelen moeten zijn getroffen om explosies te voorkomen. Het gaat daarbij in de praktijk om de:

  • bepaling van de gevarenzones voor gas- en stofexplosie;
  • uitwerking van de technische maatregelen op basis van de gevarenzone-indeling en de beoordeling van de ontstekingsbronnen;
  • uitwerking van de organisatorische maatregelen op basis van de gevarenzone-indeling en de beoordeling van de ontstekingsbronnen;
  • samenwerking te coördineren van werkzaamheden van derden.

Dit gedeelte leidt in combinatie met stap 4 tot een beoordeling van de maatregelen op juistheid en implementatie.

4

Beoordeling van het onderhoudssysteem
Inspectievraag: Worden de maatregelen goed onderhouden?

Beoordeeld wordt of een passend onderhoudssysteem aanwezig is voor de te onderhouden maatregelen in combinatie met de risico’s (zowel technisch als organisatorisch) en of het goed is gedocumenteerd. Daarnaast wordt geïnspecteerd op het daadwerkelijk uitvoeren van het noodzakelijke onderhoud en of daarmee geborgd is dat de maatregelen actief blijven.

Voor dit gedeelte zullen zowel een documentstudie als een of meer interviews moeten plaatsvinden (overwegend) bij de onderhoudsafdeling. Mogelijk dient ook ter plekke een verificatie van de maatregelen te worden uitgevoerd. Het onderhoudssysteem kan worden beoordeeld op de beoordelingsgrondslagen ‘gedocumenteerd’, ‘geschikt’ en ‘geïmplementeerd’.

5

Beoordeling VBS
Inspectievraag: Is er een deugdelijk beheerssysteem dat het bovenstaande borgt ?

De gekozen managementthema’s of VBS-elementen worden geïnspecteerd op geschiktheid. De bevindingen van de managementthema’s worden gegroepeerd. Als er onder een VBS-element voldoende managementthema’s bij een inspectie zijn betrokken dan kunnen er ook bevindingen worden gedaan over het betreffende VBS-element.

De onderwerpen en inspectiepunten voor Brzo- en Aanvullende Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (ARIE)-inspecties zijn opgenomen in de aandachtspuntenlijst ATEX (bijlage C15). Deze onderwerpen en inspectiepunten zijn verdeeld over de verschillende VBS-elementen:

  • VBS b Organisatie en de werknemers;
  • VBC c De identificatie van gevaren en de beoordeling van de risico’s van zware ongevallen;
  • VBS d De beheersing van de uitvoering;
  • VBS e De wijze waarop wordt gehandeld bij wijzigingen;
  • VBS f De voorbereiding op noodsituatie;
  • VBS g Het toezicht op de prestatie;
  • VBS h Audits en beoordeling.

De verschillende VBS-elementen moeten worden beoordeeld op de beoordelingsgrondslag ‘geschikt’. Implementatie en documentatie kunnen ook van belang zijn, maar dit wordt geacht bij de toepassing van de modules uit de 1- en 2-serie aan de orde te zijn gekomen.

6

Beoordeling PBZO
Inspectievraag: Voert het bedrijf, alles overziend, het juiste preventiebeleid?

Het PBZO wordt speciaal geïnspecteerd op het onderdeel explosieveiligheid, zowel stof- als gasexplosiegevaar. De geschiktheid van het beleid heeft daarbij expliciet de aandacht en de vraag is: doet het bedrijf ook datgene wat ze in het beleid voorstaan? Belangrijk daarbij is of er bij de vaststelling van het beleid expliciet aandacht voor het werkgebied van de ATEX 137 is geweest en of er aandacht is besteed aan het onderscheid tussen gas- en stofexplosiegevaar. De bevindingen ten aanzien van de geschiktheid van het PBZO worden gegroepeerd.

De documentatie kan ook van belang zijn, maar dit wordt geacht bij de toepassing van de modules uit de 1- en 2-serie aan de orde te zijn gekomen.

7

Oordeel
Kernvraag: Voldoet het bedrijf aan de verplichtingen van de ATEX 137 en heeft het bedrijf dit in hun VMS opgenomen?

Alle bevindingen worden logisch gegroepeerd, met aandacht voor de bevindingen ten aanzien van het PBZO, gerelateerd aan de uitwerking van het PBZO in VBS-elementen en vervolgens de daaruit voortkomende maatregelen.
Afhankelijk van de gekozen omvang van de inspectie worden een of meer inspectievragen beantwoord en wordt een antwoord gegeven op de kernvraag.