Module 2.1 - Beoordeling methode van scenarioselectie door bedrijf

Kernvraag

Levert de methode van scenarioselectie de juiste scenario’s op ten behoeve van het VR (veiligheidsrapport)?

Inleiding

Met behulp van deze module is het mogelijk om na te gaan hoe het bedrijf tot de in het veiligheidsrapport (VR) gepresenteerde set van scenario’s is gekomen. De werkwijze van het bedrijf dient systematisch en op een logische wijze plaats te vinden. Het bedrijf moet aannemelijk maken dat de onderscheiden scenario’s voor de zes aandachtsgebieden in het VR, representatief zijn voor de risico’s van het bedrijf. Via het VR toont het bedrijf immers naar de overheid en omgeving aan dat deze de risico’s goed onderkend zijn en passende maatregelen zijn genomen.

Beoordeling binnen deze module vindt plaats op het door het bedrijf gevolgde proces om tot de in het VR gepresenteerde scenario’s te komen. De beoordelinggrondslagen waarlangs deze beoordeling plaats heeft, zijn: ‘gedocumenteerd’ en ‘geschikt’.

De scenario’s die een bedrijf presenteert in een VR dienen verschillende doelen. De mogelijke scenario’s waar deze doelstellingen mee kunnen worden gehaald zijn vrijwel onbeperkt. Op hoofdlijnen zijn de doelen:

  • aantonen dat het bedrijf voldoende en juiste maatregelen (zowel organisatorische als technische en zowel generieke als specifieke) heeft getroffen;
  • als basis voor de kwantitatieve risicoanalyse (QRA);
  • als basis voor de milieurisicoanalyse (MRA);
  • als basis om na te gaan of mensen en middelen zijn afgestemd op de noodorganisatie;
  • informatievoorziening ten behoeve van de aanwijzing bedrijfsbrandweer;
  • informatievoorziening ten behoeve van de voorbereiding op de rampenbestrijding.

De beoordeling van de methode van scenarioselectie vindt op twee niveau’s plaats:

  • beoordeling op hoofdlijnen. Bij deze beoordeling, die zes stappen omvat, wordt er vooral gekeken naar de hoofdkenmerken van de methode die door het bedrijf is toegepast;
  • beoordeling op basis van de wijze waarop de opgenomen scenario’s tot stand zijn gekomen.

Inspectievraag

  • Vertoont de door het bedrijf toegepaste methode de kenmerken die het aannemelijk maken dat de keuze van de VR-scenario’s (alle zes soorten) op een goede manier tot stand is gekomen?

Het antwoord op deze vraag leidt tot een antwoord op de kernvraag: Levert de methode van scenarioselectie de juiste scenario’s op ten behoeve van het VR?

Hulpbronnen

module 2

Toelichting

1

Is de methode die door het bedrijf wordt toegepast in het VR opgenomen?

Het Rrzo 1999 verplicht bedrijven in artikel 5 lid 1 om de methode die gebruikt wordt om de installatieonderdelen met het grootste risico te identificeren, in het VR op te nemen. De methode moet in het VR zodanig beschreven zijn dat een eenduidig oordeel kan worden gevormd over het al dan niet voldoen aan een aantal criteria.

2

Zijn alle installaties eenduidig gedefinieerd?

Bij de bepaling of alle installaties eenduidig gedefinieerd zijn, zijn de volgende aspecten van belang:

  • heeft het bedrijf alle installaties (inclusief opslaginstallaties) gedefinieerd, bijvoorbeeld aan de hand van de omgevingsvergunning, Wabo-meldingen, rampbestrijdingsplan en aanwijzingen?
  • is de benaming van de installaties eenduidig?
  • is de locatie van elke installatie vastgelegd en beschreven?

3

Wordt de methode periodiek geëvalueerd?

De methode van scenarioselectie moet met een zekere regelmaat worden geëvalueerd om ervoor te zorgen dat het actueel blijft, adequaat inspeelt op ontwikkelingen in het bedrijf en rekening houdt met de stand der kennis.

4

Zijn in de methode de juiste stappen onderscheiden?

In de methode van scenarioselectie moeten onderstaande stappen worden onderscheiden:

  • selectie van installatieonderdelen: zijn per installatie de installatieonderdelen geselecteerd die eigen gevaren en risico’s hebben?
  • vaststelling van risico’s per installatieonderdeel. Voor identificatie van risico’s is allereerst nodig dat de gevaren per installatiedeel bekend zijn. Voor vaststelling van de risico’s kan gedacht worden aan de B&G-index. De gevaren waar rekening mee moet worden gehouden zijn:
  • vergiftigingsgevaar;
  • brandgevaar;
  • explosiegevaar;
  • verstikkingsgevaar;
  • verbranding door bijtende stof, hete of koude stoffen.
  • ranking van de risico’s: is een ranking uitgevoerd met betrekking tot de risico’s?

5

Rrzo 1999 artikel 5

De methode moet leiden tot een ranking van installatieonderdelen. Als bekend is welke onderdelen per installatie de grootste risico’s inhouden kan hiermee bij de verdeling van de scenario’s rekening worden gehouden.

6

Bevindingen op hoofdlijnen over de methode

Inspectievraag: Vertoont de door het bedrijf toegepaste methode de kenmerken die het aannemelijk maken dat de keuze van de VR-scenario’s (alle 6 soorten) op een goede manier tot stand is gekomen?

Kunnen de vragen in de voorafgaande stappen eenduidig en positief worden beantwoord? De bevindingen worden gerelateerd aan de beoordelingsgrondslag ‘gedocumenteerd’, en worden vastgelegd in het inspectierapport.

6a

Oordeel

Een eventueel oordeel dat de methode op de genoemde algemene punten onvoldoende is, wordt vastgelegd en aan het eind van de module gekoppeld aan de meer specifieke bevindingen.

7

Interne veiligheid

Voor een nadere beoordeling van de interne (werknemers-)veiligheid worden installatiescenario’s opgesteld. In artikel 5 van het Rrzo 1999 worden de normen aangegeven waaraan installatiescenario’s moeten voldoen.

7a

Is de risicoranking gebruikt om tot selectie van installatiescenario’s te komen?

De risicoranking van de installatieonderdelen moet zijn gebruikt bij het opstellen van de installatiescenario’s. Relevant is hierbij onder andere:

  • hebben de scenario’s betrekking op de installatieonderdelen met het grootste risico?
  • behandelen de scenario’s alle relevante directe oorzaken?
  • geven de scenario’s een compleet beeld van de toegepaste maatregelen?

8

QRA

Handleiding Risicoberekeningen Bevi bevat de richtlijnen voor de wijze waarop de risico’s van stationaire bedrijven moet worden berekend.

8a

Is SAFETI-NL gebruikt om tot een selectie van de scenario’s te komen?

Het gebruik van het rekenpakket SAFETI-NL is nu voorgeschreven voor het berekenen van externe veiligheidsrisico's van een inrichting et gevaarlijke stoffen. Samen met de Handleiding Risicoberekeningen Bevi vervangt dit pakket de gekleurde boeken (PGS 1 t/m 4). De gekleurde boeken worden in principe niet meer geactualiseerd, maar blijven voorlopig beschikbaar als historisch naslagwerk. Meer informatie over SAFETI-NL en de bijbehorende Handleiding.

Relevant is:

  • wordt voor ieder insluitsysteem een aantal standaard faalscenario’s gedefinieerd?
  • worden de insluitsystemen geselecteerd met het grootste potentiële risico?
  • wordt hiervoor gebruikgemaakt van de in het Paarse Boek beschreven selectiemethodiek?

9

MRA

Tot op heden wordt alleen voor het compartiment water een milieurisicoanalyse toegepast.

Het CIW-rapport Integrale aanpak van risico’s van onvoorziene lozingen beschrijft hoe de milieurisico’s voor oppervlaktewater kunnen worden behandeld.

9a

Is het CIW-rapport gebruikt om tot een selectie van scenario’s te komen?

Er moet worden nagegaan of de risico’s voor oppervlaktewater conform het CIW-rapport in drie stappen zijn bepaald:

  • het inschatten van de potentiële risico’s op basis van de hoeveelheid stoffen en het gevaar voor de waterkwaliteit;
  • het beoordelen van de veiligheidsmaatregelen die genomen zijn om risico’s voor het oppervlaktewater te voorkomen;
  • het inzichtelijk maken van de restrisico’s (zonodig door modellering) en tot slot beoordeling van de restrisico’s: voor oppervlaktewater is er een referentiekader (norm).

De scenario’s zitten ‘standaard’ in het model. Scenario’s moeten wel betrekking hebben op installaties die een potentieel risico vormen voor het oppervlaktewater (op basis van hoeveelheid stof en de bezwaarlijkheid voor water). Belangrijk hierbij zijn de mogelijke afstroomroutes (zoals riolering, buffers en afsluiters).

Is Proteus goed toegepast? Het model genereert kansen en effecten die vervolgens getoetst kunnen worden aan het referentiekader.

10

Intern noodplan

Het Brzo 1999, bijlage III artikel 1 onder l, verplicht het bedrijf om een beschrijving te geven van de scenario’s voor een mogelijk zwaar ongeval op het terrein van het bedrijf die bepalend zijn voor de inhoud van het intern noodplan.

10a

Is beschreven hoe de scenario’s voor het intern noodplan tot stand zijn gekomen?

In deel 1 van het VR (zie PGS 6 bladzijde 31) dient in essentie beschreven te worden voor welk (type) scenario het intern noodplan is opgesteld. Een keuze uit of koppeling met de geloofwaardige scenario’s (PGS 6 bijlage V) ligt hierbij voor de hand.

De scenario’s voor het intern noodplan moeten gedetailleerd genoeg zijn om de benodigde middelen en mensen voor het intern noodplan te bepalen. Beoordeeld moet kunnen worden of de beschrijving in het intern noodplan klopt van de te nemen maatregelen ter beheersing van de noodtoestand en ter beperking van de gevolgen van de noodtoestand (met inbegrip van een beschrijving van de beschikbare veiligheidsuitrusting en -middelen).

11

Bedrijfsbrandweerscenario

Het Besluit bedrijfsbrandweren is vervallen na in werking treden van het Besluit veiligheidsregio’s (Bvr). Bedrijven die onder het Brzo vallen, komen in aanmerking voor een aanwijzing als bedrijfsbrandweerplichtig (art. 7.1 onder a Bvr). Art 7.2 van het Bvr verplicht het bedrijf een rapport op te stellen, dat als basis dient voor eventuele aanwijzing. Het rapport wordt opgesteld op verzoek van het bestuur van de veiligeheidsregio. De scenario’s moeten erin worden beschreven (art 7.2 lid 1 onder c, d en e). Als het veiligheidsrapport de gevraagde gegevens reeds bevat, kan het bedrijfsbrandweerrapport ernaar verwijzen (art 7.2 lid 2). Als de omgeving van de inrichting wijzigt, kan het bestuur van de veiligheidsregio de aanwijzing intrekken dan wel de gestelde eisen wijzigen (art. 7.5)

11a

Is beschreven hoe de brandweerscenario’s tot stand zijn gekomen?

In bijlage 5 van PGS 6 wordt de methodiek en de gegevens genoemd die per scenario moeten zijn weergegeven. Hiervoor moeten 6 stappen worden doorlopen:

Stap 1. Beoordeling van de installatiescenario’s op bruikbaarheid voor het uitwerken van geloofwaardige scenario’s
Stap 2. Eventuele aanvulling van de geloofwaardige scenario’s
Stap 3. Selectie van de maatgevende scenario’s
Stap 4. Beschrijving maatgevende scenario’s
Stap 5. Beschrijving inzet bedrijfsbrandweer
Stap 6. De organisatie van de brandweer in de inrichting

12

Rampbestrijdingsscenario

Regels omtrent rampenbestrijdingsplannen zijn opgenomen in hoofdstuk 6 van het Besluit veiligheidsregio's (Bvr). Het bestuur van de veiligheidsregio stelt de rampenbestrijdingsplannen (RBP's) vast. Er moeten RBP's worden opgesteld voor VR-plichtige bedrijven (art. 6.1.1 lid 1 van het Bvr). Als het bestuur van de veiligheidsregio een RBP niet nodig vindt, is dat een besluit in de zin van de wet. In art 6.1.3 zijn de eisen opgenomen aan de inhoud van een RBP.

12a

Is beschreven hoe de rampbestrijdingsscenario’s tot stand zijn gekomen?

Om na te gaan of beschreven is hoe de rampbestrijdingsscenario’s tot stand zijn gekomen, zijn de volgende vragen van belang:

  • is de QRA-selectiemethodiek nagelopen om de effectafstanden te berekenen?
  • zijn de scenario’s met de grootste schade-effecten meegenomen?
  • worden in de geselecteerde scenario’s de schade-effecten benoemd?
  • is in de selectiemethode rekening gehouden met de interne en externe domino-effecten?
  • worden in de selectie van de rampbestrijdingsscenario’s de ontwikkelingstijden meegenomen?

13

Bevindingen over het resultaat van de toegepaste methode

Met de in de vorige stappen verzamelde informatie moeten de volgende vragen beantwoord worden:

  • leidt de methode tot de juiste en voldoende installatiescenario’s?
  • leidt de methode tot de juiste en tot voldoende QRA-scenario’s?
  • leidt de methode tot representatieve MRA-scenario’s?
  • leidt de methode tot representatieve Intern noodplanscenario’s?
  • kan met de gevolgde methode een compleet en juist beeld worden gegeven van de benodigde scenario’s voor de bedrijfsbrandweerorganisatie?
  • kan met de gevolgde methode een compleet en juist beeld worden gegeven van de mogelijke rampbestrijdingsscenario’s die relevant zijn voor de hulpverleningsdiensten?

De bevindingen worden gerelateerd aan de beoordelingsgrondslagen ‘gedocumenteerd’ en ‘geschikt’ en vastgelegd in het inspectierapport.

13a

Oordeel

Kernvraag: Levert de methode van scenarioselectie de juiste scenario’s op ten behoeve van het VR?

De specifieke bevindingen worden gekoppeld aan de algemene bevindingen (zie ook stap 6a). Onafhankelijk van het totaaloordeel zullen (vervolg-)inspecties plaatsvinden. Indien de waardering van de beoordelingsgrondslag ‘geschikt’ matig of slecht is, wordt gehandhaafd op het verbeteren van de selectiemethodiek. Indien de waardering van de beoordelingsgrondslag ‘gedocumenteerd’ slecht is, wordt op het verbeteren van de selectiemethodiek handhaving ingezet.