Wettelijke basis

Het systematisch en planmatig toezicht vindt plaats op grond van de Europese Seveso II-verplichtingen, zoals deze in artikel 24 van het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo) 1999 zijn neergelegd. De inspecties zijn gebaseerd op het bestuurlijk inspectieprogramma (BIP) en het meerjareninspectieplan (MIP). In artikel 24, lid 2 van het Brzo 1999 is geformuleerd: Bij een inspectie die in het kader van een inspectieprogramma wordt uitgevoerd, wordt in ieder geval gecontroleerd of hetgeen in de inrichting wordt aangetroffen in overeenstemming is met de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 5, 6, 10 en 26 van het Brzo 1999, teneinde na te gaan of:

  • degene die de inrichting drijft kan aantonen dat hij passende maatregelen heeft genomen om zware ongevallen te voorkomen;
  • degene die de inrichting drijft kan aantonen dat hij in passende middelen heeft voorzien om de gevolgen van zware ongevallen op en buiten het bedrijfsterrein te beperken;
  • de verstrekte gegevens en informatie de situatie in de inrichting trouw weergeven.
Het overheidstoezicht zal nooit volledig zijn, in de zin dat bij één inspectie alle van belang zijnde aspecten aan de orde kunnen komen. Daarom is voorzien in een methodische benadering, waarin vanuit een brede, globale benadering ingezoomd wordt op bepaalde onderdelen, en waarbij een structurele samenhang tussen opeenvolgende inspecties wordt bewerkstelligd. Zeker bij technisch uitgebreide en/of organisatorisch complexe bedrijven moeten keuzes gemaakt worden met betrekking tot de aard, de omvang en het type te inspecteren onderwerpen.

Van breed naar diep

Bij een bedrijf waarover nog weinig bekend is, is een algemene oordeelsvorming nuttig alvorens dieper in te gaan op relevante onderwerpen. Dit geldt ook – zij het in mindere mate – voor een bedrijf dat nieuwe informatie aanreikt of wanneer een nieuwe inspectiecyclus start. Tijdens een eerste, initiële inspectie komen relevante onderwerpen eerst globaal aan de orde en wordt er vooral gekeken naar de hoofdlijnen van het gevoerde bedrijfsbeleid, het gehanteerde veiligheidsmanagementsysteem (VMS) en de getroffen maatregelen (zijn deze gedocumenteerd en geschikt?). Vervolginspecties zullen dieper ingaan op het daadwerkelijk functioneren van (delen van) het VMS, op de gerealiseerde relatie tussen uitgevoerde maatregelen en voorgenomen beleid en op het daadwerkelijk aanwezig zijn en in stand houden van de maatregelen (zijn deze geschikt, geïmplementeerd en gedocumenteerd?).

Structuur

Door een inspectie gezamenlijk voor te bereiden, uit te voeren en af te ronden, kunnen inspectiediensten een efficiënte inzet van mensen en middelen en een beperking van de inspectielast realiseren. Per bedrijf zetten de overheidsdiensten een algehele inspectiestructuur op door middel van een MIP. Binnen deze structuur worden de keuzes met betrekking tot te inspecteren onderwerpen en de inspectieaanpak vastgelegd. De inspectiestructuur zorgt op de langere termijn voor een samenhangend geheel van inspecties. Het BIP geeft de aanzet tot deze gestructureerde benadering. Het MIP zet per bedrijf de opzet van activiteiten over een langere periode uiteen. En het inspectieplan regelt de feitelijke uitvoering van een inspectie.

Samenwerking

Het door de overheidsdiensten toegepaste samenwerkingsmodel is afhankelijk van inspectieonderwerpen en prioriteiten per organisatie. Het samenwerkingsmodel kan naar keuze worden ingevuld. De diensten kunnen beslissen om ieder onderwerp gezamenlijk te inspecteren, maar hebben ook de mogelijkheid om een onderwerp aan één van hen toe te wijzen. Het is belangrijk om tijdens een gezamenlijke inspectie slechts eenmaal informatie te verzamelen. Dit bespoedigt het proces zowel voor de overheid als voor het bedrijf.

Aanpak

Iedere inspectie omvat een standaard aanpak. Er wordt informatie verzameld door documenten te bestuderen, medewerkers te interviewen en zelf situaties te bekijken. De inspectieresultaten worden beoordeeld aan de hand van een aantal beoordelingsgrondslagen, te weten gedocumenteerd, geschikt en geïmplementeerd. Het gaat er bij de beoordeling om of belangrijke informatie door het bedrijf goed gedocumenteerd is, of de toegepaste werkwijzen en middelen geschikt zijn en of de door de directie beoogde aanpak ook daadwerkelijk geïmplementeerd en toegepast wordt. Aan de hand van deze beoordeling worden conclusies getrokken en vinden vervolgactiviteiten plaats.

Wettelijke verplichtingen voor Brzo-bedrijven

Welke inspecties bij een Brzo-bedrijf dienen plaats te vinden, is afhankelijk van de wettelijke verplichtingen die dat bedrijf heeft. Een veiligheidsrapport (VR)-plichtig bedrijf heeft op grond van artikel 10 van het Brzo 1999 een andere, uitgebreidere informatie- en aantoonplicht dan een Preventiebeleid (PBZO)-plichtig bedrijf. Dit heeft zijn weerslag op opzet en inhoud van de inspectie.

PBZO-bedrijven

Het Brzo 1999 kent een lage en een hoge drempelwaarde. Bedrijven die tussen de lage en de hoge drempel zitten, de zogeheten PBZO-bedrijven, zijn niet verplicht een VR op te stellen maar maken hun veiligheidsaanpak op verzoek van de overheden inzichtelijk.

VR-bedrijven

Bedrijven die boven de hoge drempelwaarde komen, tonen met het VR aan dat ze een goede veiligheidsaanpak hanteren. Dit zijn de VR-bedrijven en deze hebben ten opzichte van de PBZO-bedrijven met een aantal aanvullende verplichtingen te maken.

Tabel: Verplichtingen PBZO-bedrijven en VR-bedrijven op basis van het Brzo 1999

Onderwerp
verplichting

PBZO-Bedrijven

VR-Bedrijven

1 PBZO Moet aan eisen Brzo 1999 voldoen

Moet aan eisen Brzo 1999 voldoen.
Hoofdlijnen in VR opgenomen.

2 VBS Moet aan eisen Brzo 1999 voldoen

Moet aan eisen Brzo 1999 voldoen.
Hoofdlijnen in VR opgenomen.

3 Maatregelen Moet aan eisen Brzo 1999 voldoen

Moet aan eisen Brzo 1999 voldoen.
Via scenario's in VR opgenomen.

4 PBZO-document Beschikbaar op locatie Mag in VR opgenomen worden
5 Bedrijfsbrandweer rapportage N.v.t. tenzij verlangd door college van B&W In VR opgenomen
6 VR N.v.t. Verplicht
7 Scenario's N.v.t. In VR opgenomen
8 Stoffenlijst (artikel 21 Brzo) N.v.t. Beschikbaar op locatie
9 Intern noodplan N.v.t. Beschikbaar op locatie
10 QRA N.v.t. Moet aan eisen voldoen.
Gehele QRA in VR opgenomen.
11 MRA N.v.t. Moet aan eisen voldoen.
Gehele MRA in VR opgenomen.
12 Voorbereiding op rampen en zware ongevallen N.v.t. tenzij aanwijzing door bg rampenbestrijding Representatieve scenario's moeten in VR