Twee werkvelden

Inleiding

Bij een Brzo-inspectie worden twee werkvelden onderscheiden:

  • het inspecteren van het veiligheidsmanagementsysteem, bestaande uit het gevoerde bedrijfsbeleid en het veiligheidsbeheerssysteem (VBS), en van de getroffen maatregelen. Op grond van de resultaten worden, al dan niet afgedwongen door handhaving, door het bedrijf de gewenste aanpassingen gerealiseerd;
  • het verzamelen van informatie over deze bedrijven en het door hen gevoerde beleid ten behoeve van overheidseigen activiteiten.

Verschillende overheidsorganisaties spelen een rol bij het toezicht dat plaatsvindt op basis van het Brzo 1999. Uitgangspunt van deze methode is dat iedere partij een eigen verantwoordelijkheid heeft. Door samen te werken bij de voorbereiding, uitvoering en afhandeling van een inspectie maken overheden optimaal gebruik van onderling aanvullende kennis en kan de overheid zo efficiënt mogelijk optreden.

Inspecteren van het gevoerde beleid

De overheid inspecteert om vast te kunnen stellen of de aanpak van een bedrijf voldoet aan de wet- en regelgeving. De bedrijfsaanpak dient een veilige situatie voor mens en milieu te bewerkstelligen. De Brzo-inspectie richt zich vooral op het resultaat dat door het bedrijf wordt bereikt. Om te kunnen bepalen of dit resultaat in Brzo 1999-opzicht afdoende is, zijn vijf hoofdvragen cruciaal:

  • zijn de juiste gevaren en de daaruit voortkomende risico’s onderkend?
  • zijn de juiste maatregelen getroffen?
  • worden de maatregelen goed onderhouden?
  • is er een deugdelijk beheerssysteem waarmee het onderkennen van gevaren en risico’s, het treffen van de juiste maatregelen en het onderhouden van die maatregelen is geborgd?
  • voert het bedrijf, alles overziend, het juiste preventiebeleid?

Tijdens één inspectie kunnen nooit alle belangrijke aspecten aan bod komen. Maar wanneer de vijf hoofdvragen zijn beantwoord, kan in ieder geval globaal worden vastgesteld of de risico’s – rekening houdend met de mogelijkheden van de overheid om restrisico’s af te dekken – voldoende door bedrijfsmaatregelen zijn afgedekt. De opeenvolgende overheidsinspecties moeten de bedrijven ondersteuning bieden om de eigen verantwoordelijkheid goed in te vullen. Daarom is voorzien in een methodische benadering, waarbij vanuit een brede, globale benadering in detail wordt ingezoomd op specifieke onderdelen en waarbij een structurele samenhang tussen opeenvolgende inspecties wordt bewerkstelligd. Indien tijdens inspecties overtredingen worden geconstateerd, worden deze door iedere inspectiepartner zelfstandig – in overeenstemming met het eigen (handhavings)beleid – gehandhaafd.

Informatie verzamelen voor overheidseigen activiteiten

Een tweede belangrijke component van een inspectie is het verzamelen van informatie die de overheid nodig heeft om de volgende taken uit te voeren:

  • het invullen van de ruimtelijke ordening, waarbij rekening wordt gehouden met de risicocontouren;
  • de voorbereiding op de rampenbestrijding, waarbij onder meer de aanwijzing bedrijfsbrandweer en het opstellen van rampbestrijdingsplannen een rol spelen.

De uitgangspunten die door het bedrijf gehanteerd zijn bij het opstellen van de QRA (kwantitatieve risicoanalyse) en de MRA (milieurisicoanalyse) komen tijdens inspecties aan de orde om de deugdelijkheid hiervan in relatie met de ruimtelijke ordening te bevestigen. Voor de openbare rampenbestrijding is de aansluiting tussen de bedrijfsactiviteiten en de overheidsactiviteiten op het gebied van Brzo 1999 van wezenlijk belang. De overheidseigen activiteiten kunnen gevolgen hebben voor het preventiebeleid en de te treffen maatregelen van het bedrijf. Het bedrijf kan daarom door de overheid een bepaald preventiebeleid en bepaalde maatregelen krijgen opgelegd.