Hoe werkt het toezicht op BRZO-bedrijven?

Home > Hoe werkt het toezicht op BRZO-bedrijven?

Hoe werkt het toezicht op BRZO-bedrijven?

Inhoud pagina: Hoe werkt het toezicht op BRZO-bedrijven?

Bedrijven die werken met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen en/of deze in opslag hebben vallen onder de werking van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 (BRZO). In Nederland zijn dat ruim 400 bedrijven, variërend van complexe chemische procesindustrie -raffinaderijen- tot eenvoudige opslagbedrijven.

Het BRZO integreert de eisen op het gebied van arbeidsveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding met als doel de kans op een zwaar ongeval of een ramp zo klein mogelijk te maken en het effect zoveel mogelijk te beperken. Het besluit is de Nederlandse uitwerking van de Europese Seveso II-richtlijn. BRZO-bedrijven moeten aan strenge veiligheidseisen voldoen. De hoeveelheid en aard van gevaarlijke stoffen binnen een inrichting is een bepalende factor bij het vaststellen van de verplichtingen waaraan inrichtingen volgens het BRZO moeten voldoen. De activiteiten die in de inrichting plaatsvinden spelen dus geen rol in het al dan niet van toepassing zijn van het BRZO.

Twee niveaus: PBZO & VR
Bedrijven vallen onder de werking van het BRZO wanneer de omvang van de vergunde hoeveelheden gevaarlijke stoffen boven een bepaald niveau komt (drempelwaarden, bijlage 1 van het BRZO). Het BRZO kent hoge en lage drempelwaarden. Bedrijven die alleen een lage drempelwaarde overschrijden, worden als PBZO-bedrijf aangemerkt. Deze bedrijven moeten alle maatregelen treffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken, een Preventiebeleid Zware Ongevallen (PBZO) opstellen en voor de uitvoering en bepaling daarvan een veiligheidsbeheerssysteem (VBS) implementeren. Het veiligheidsmanagementsysteem bestaat uit een aantal vaste onderdelen of elementen. De wijze waarop een inrichting deze elementen invult is afhankelijk van de gevaren en risico's die bij een inrichting aan de orde zijn. De omvang van de uitwerking kan sterk verschillen. Zo zal de identificatie van gevaren en beoordeling van risico's bij een opslagbedrijf veel minder stappen kennen en eenvoudiger kunnen worden omschreven dan bij een groot chemisch complex.

Bedrijven die de hoge drempelwaarde overschrijden worden aangemerkt als VR-bedrijf en moeten, naast de hierboven genoemde verplichtingen, een volledig veiligheidsrapport (VR) indienen waarmee wordt aangetoond dat de preventie en de beheersing van de gevaren van zware ongevallen in orde zijn. Van alle BRZO-bedrijven in Nederland is circa 30% aangemerkt als PBZO-bedrijf en 70% als VR-bedrijf.

Voor alle BRZO-bedrijven geldt dat ze de verplichting hebben om een intern noodplan op te stellen en een lijst van gevaarlijke stoffen bij te houden. BRZO-bedrijven komen op grond van het Besluit veiligheidsregio's in aanmerking voor een aanwijzing als bedrijfsbrandweerplichtig. De noodzaak tot het hebben van een bedrijfsbrandweer geldt vooral voor bedrijven die in geval van brand of ongevallen een bijzonder gevaar voor de openbare veiligheid kunnen vormen. De aanwijzing wordt gedaan door de brandweer.

Toezicht op BRZO-bedrijven
Bij het toezicht op het BRZO zijn ongeveer 200 specialistische inspecteurs betrokken van drie overheden: brandweer, Arbeidsinspectie en Wabo-bevoegd gezag milieu (gemeente of provincie). Gezamenlijk vormen zij één inspectieteam. Het Wabo-bevoegd gezag milieu heeft hierin een coördinerende rol. Het team werkt samen in de voorbereiding, uitvoering (bedrijfsbezoek) en afronding van de inspectie. De eventuele handhaving die uit de inspecties voortvloeit, is voor de eigen verantwoordelijkheid van de betreffende inspectiepartners. De inspectiepartners maken -afhankelijk van de aard van de geconstateerde overtredingen en de handhavende bevoegdheden- onderling een afspraak welke handhavingsmiddelen door wie worden ingezet.

Bij de BRZO-inspecties volgt het team een landelijke inspectiemethode, de zogenoemde Nieuwe Inspectie Methodiek (NIM). Een gezamenlijke inspectiemethode is essentieel omdat elke inspecteur zijn of haar eigen rolopvattingen, achtergronden, bedrijfscultuur en bevoegdheden meeneemt, wat de uitvoering van gezamenlijke inspecties tot een nogal complexe aangelegenheid maakt. Een gezamenlijke inspectiemethode is hét instrument om die samenwerking goed te laten verlopen en de meeste effectiviteit en efficiëntie uit de inspectie te halen. Dit is ook voor bedrijven van belang: een gezamenlijke inspectiemethode draagt bij aan de één-loketgedachte en maakt de rol van de overheid voor bedrijven transparanter en betrouwbaarder. Tevens zorgt de inspectiemethodiek voor een landelijk uniforme werkwijze. Alle werkafspraken ten aanzien van de gezamenlijke inspectiemethode zijn vastgelegd in de Werkwijzer BRZO II.

Regionale samenwerking
In de Regiegroep van het samenwerkingsprogramma LAT BRZO (nu: LAT Risicobeheersing Bedrijven) is afgesproken dat de overheden die bij het BRZO-toezicht betrokken zijn samenwerken binnen vier regio's: Noord, Midden-Oost, Zuid en West. Deze vier regio's hebben een bestuurlijk vastgestelde overeenkomst waarin zij de samenwerking tussen de BRZO-partners onderling hebben vastgelegd. Er zijn overlegstructuren, indien nodig vindt uitwisseling van capaciteit plaats en men beschikt over een gezamenlijk toezichtprogramma. Daarnaast wordt voor elk BRZO-bedrijf een meerjareninspectieplanning opgesteld. Dit plan bevat de inspectiefrequentie en de inhoud van de geplande inspecties voor het betreffende bedrijf. In het BRZO is vastgelegd dat VR-plichtige bedrijven minstens jaarlijks worden geïnspecteerd.

Kwaliteitseisen
De deskundigheid van BRZO-inspecteurs is van cruciaal belang voor kwalitatief goed toezicht. Vanuit het LAT-programma zijn de Kwaliteitscriteria LAT Risicobeheersing Bedrijven ontwikkeld waar inspecteurs die belast zijn met het toezicht op BRZO- en chemiebedrijven met ingang van 1 januari 2013 aan moeten voldoen. De wijze waarop het toezicht op risicovolle bedrijven in Nederland is georganiseerd en de wijze waarop een inspectie bij een bedrijf in personele zin plaatsvindt vormen het uitgangspunt. De kwaliteitscriteria zijn verbonden aan de deskundigheid van inspecteurs (opleiding, kennis, werkervaring) en de organisatorische borging (frequentie). De criteria sluiten aan op de Wabo Kwaliteitscriteria 2.1.

Als onderdeel van het programma LAT RB biedt de BRZO Academie gezamenlijke opleidingen voor BRZO-inspecteurs aan. De opleidingen zijn gericht op kennis van en inzicht in het juiste gebruik van de inspectiemethode en ondersteunende applicaties. Een groot voordeel van het gezamenlijk opleiden is dat de inspecteurs vanuit de verschillende organisaties ook in een leeromgeving met elkaar in contact komen. Op deze wijze wordt bijgedragen aan landelijk uniform én professioneel optreden van de BRZO-toezichthouders.