RMO: van strategie naar praktijk

In de landelijke overleggen van BRZO+ worden regelmatig grote beleidsvraagstukken behandeld en keuzes gemaakt op strategisch en tactisch niveau. De besluitvorming kan daardoor wat abstract zijn. Inspecteurs op de werkvloer willen juist concreet weten wat die besluitvorming betekent voor hun werk. Om deze kloof te overbruggen en de verschillen tussen de regio’s te verminderen werd dit jaar in iedere regio het Regionaal Management Overleg (RMO) in het leven geroepen.

‘Bij het RMO sluiten verschillende partijen aan’, vertelt Mike van Sambeek, programmamanager Brzo bij de Omgevingsdienst regio Nijmegen. De Brzo-omgevingsdiensten vertegenwoordigen het Wabo bevoegd gezag. De andere deelnemers zijn de Veiligheidsregio, Inspectie SZW en de waterkwaliteitsbeheerders. Daarnaast schuiven er regionale vertegenwoordigers van ILT en het Openbaar Ministerie aan.’
De RMO's worden gehouden in de zes Brzo-regio's:

  • Groningen/Drenthe/Friesland
  • Gelderland/Overijssel
  • Noord-Holland/Utrecht/Flevoland
  • Zuid-Holland/Zeeland
  • Noord-Brabant
  • Limburg

Mike van Sambeek foto
Mike van Sambeek

Mike van Sambeek is aangesloten bij het RMO Gelderland/Overijssel. ‘Vorig jaar zijn we in deze regio begonnen met het overleg. Wij hebben onderling afgesproken dat we vier keer per jaar bij elkaar komen.’ Bij de andere regio’s is dat misschien anders. ‘De inrichting van het overleg ligt namelijk bij de regio’s zelf,’ vertelt Mike van Sambeek.

Van afstemming naar aansturing

Het RMO Gelderland/Overijssel heeft structuur aangebracht door vaste agendapunten op te stellen. Dat zijn:

  • terugkoppeling van het landelijk managementoverleg BRZO+ (MO BRZO+) en het regionale coördinatorenoverleg
  • planning van inspecties
  • monitoring en de zogenaamde ‘aandachtsbedrijven’.

‘Dit zijn achterblijvende bedrijven die de regels minder goed navolgen of die het anders doen dan wij voor ogen hebben’, vertelt Mike van Sambeek. ‘De aanpak van deze bedrijven wordt op uitvoerend niveau afgestemd tussen de inspectiepartners. Het RMO neemt vervolgens de tactische besluiten over het inspectieprogramma en de (handhavings)aanpak van specifieke bedrijven.’

Daarnaast zorgt het RMO voor betere afstemming tussen de partners binnen de regio. Landelijke verbetervoorstellen worden vaak opgepakt via projecten. Aan het RMO de taak om te zorgen dat het projectresultaat daadwerkelijk wordt uitgevoerd in de eigen regio. Zo is een werkgroep aan de slag gegaan met het project ‘Afstemming BRZO+ partners bij vergunningverlening’. ‘In de regio Gelderland/Overijssel zijn afspraken gemaakt over het verbeteren van de inhoudelijke afstemming en de communicatie hierover tussen de betrokken diensten’, vertelt Mike van Sambeek. ‘Nu is het van belang dat de betrokken diensten ook daadwerkelijk gaan werken volgens deze afspraken. Het is de taak van de individuele diensten, maar ook voor het RMO, om dit te monitoren en elkaar scherp te houden.’

Praktijksituaties

Charlotte Kottier, projectleider Procesveiligheid bij Inspectie SZW, is blij dat er in de RMO's meer nadruk ligt op casussen en thema’s op de werkvloer.

‘Voorheen meldden de inspecteurs deze informatie alleen bij hun eigen organisaties. Dan komen de meldingen natuurlijk ook wel terecht bij de andere BRZO+ partners maar dat duurde vaak een stuk langer. Het probleem was vaak al verder gevorderd en er zat veel meer urgentie achter.Charlotte Kottier foto
Charlotte Kottier

‘In het RMO hebben we de tijd om te kijken naar de knelpunten van inspecteurs en kunnen we de casussen gezamenlijk behandelen’, vertelt Charlotte Kottier. ‘Zo kunnen we kijken of anderen de problemen herkennen en of we met elkaar kunnen meedenken. Inspecteurs kunnen daardoor in een eerder stadium een gezamenlijk dossier aanmaken. In het RMO is dan al gesproken over het vrijmaken van capaciteit om de vervolgstappen bij deze bedrijven in te zetten.’

Nieuwe inzichten

Charlotte Kottier benadrukt dat het RMO niet ondergeschikt is aan het landelijk overleg. ‘We nemen geen taken over, het is echt een aanvulling op het bestaande overlegcircuit. Tussen beide overleggen ontstaat eigenlijk al een duidelijke wisselwerking. In het RMO moeten wij aan de slag met de vraagstukken vanuit het landelijke MO BRZO+. Daarnaast gebruikt het MO BRZO+ de input vanuit het RMO voor de besluitvorming. We merken daardoor wel dat het nog een beetje zoeken is naar de juiste vorm voor het RMO. Moeten we juist net vóór het landelijke overleg vergaderen, zodat zij direct aan de slag kunnen met onze bevindingen of juist daarna, zodat wij aan de slag kunnen met hun input?’

Andere dynamiek

Zo ziet Charlotte Kottier veel voordelen maar ook nog verschillende uitdagingen voor het RMO. ‘Je leert elkaar goed kennen in zo’n overleg. De lijntjes zijn daardoor korter en als er iets is kun je sneller handelen. Maar het kan ook zeker nog een stuk efficiënter. Om het werkbaar te houden wil je bijvoorbeeld niet in een te grote groep werken. Dat betekent dat we goed moeten nadenken over wie we allemaal bij het overleg betrekken.’

‘Daarnaast opereren de verschillende omgevingsdiensten nog te zelfstandig’, vindt Charlotte Kottier. ‘De overleggen hebben een eigen agenda en een eigen dynamiek. Terwijl de verschillende regio’s juist enorm veel kunnen leren van situaties die zich in andere regio’s voordoen.’ Volgens Charlotte Kottier is het daarom ook belangrijk om de problemen en ‘best practices’ te delen en terug te koppelen naar verschillende regio’s en de landelijke overlegorganen. ‘Om de regionale verschillen zo veel mogelijk te beperken, proberen we de agenda’s steeds meer op elkaar af te stemmen, zodat op hoofdlijnen dezelfde zaken worden besproken. Het komende jaar gaan we met alle vraagstukken aan de slag  om zo de overleggen verder vorm te geven.’

Informatie-uitwisseling

Ook het verbeteren van de informatie-uitwisseling tussen de RMO’s en het landelijk georiënteerde MO BRZO+ is een zeer belangrijk en essentieel verbeterpunt waaraan in 2019 gewerkt moet worden. Erwin de Bruin, namens de VR’s onderdeel van het MO BRZO+, vindt dit nog een cruciale schakel die verder ontwikkeld moet worden in de BRZO+ samenwerking tussen de betrokken overheidsdiensten.

erwin de bruin foto
Erwin de Bruin

‘Willen we de juiste balans vinden in landelijke thema’s aan de ene kant en regionale prioriteiten aan de andere kant, dan zal het goede gesprek tussen het MO BRZO+en de RMO’s moeten gaan plaats vinden. In het eerste kwartaal van 2019 zitten de vertegenwoordigers van het MO BRZO+ en de RMO’s weer bij elkaar om hier een slag in te slaan.’