Nieuwe eisen veiligheidsrapport

Profielfoto Ruud Peeters_2

Het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015) stelt een aantal nieuwe eisen aan het veiligheidsrapport van de zogeheten hogedrempelinrichtingen (zie kader). Deze inrichtingen moesten voor 1 juni 2016 een nieuw veiligheidsrapport of aanvullende stukken indienen. Zowel voor de betrokken bedrijven als voor de inspectiediensten heeft deze verplichting een grote impact. Om de beoordeling van de rapporten te coördineren riep het  BRZO+ een projectgroep in het leven. Ruud Peeters, werkzaam bij de Omgevingsdienst Haaglanden, was op dat moment projectleider: ‘Samenwerken gaat niet altijd vanzelf.’

Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving van Brzo-bedrijven zijn er 6 gespecialiseerde Omgevingsdiensten (de 6 BRZO-OD’s), soms ook wel Regionale Uitvoeringdiensten (RUD's) genoemd. Zij beoordelen of bedrijven voldoen aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Daarnaast is er nog een aantal overheidsdiensten betrokken bij de vergunningverlening en het toezicht, en ook bij de beoordeling van de veiligheidsrapporten. Zo controleert de Inspectie SZW de arbeidsomstandigheden. De veiligheidsregio’s controleren op de voorbereiding op de rampbestrijding, de bedrijfsbrandweerorganisatie en overige aspecten van brandveiligheid. De waterschappen en Rijkswaterstaat beoordelen de waterkwaliteit, bijvoorbeeld als het gaat om het lozen van afvalwater in het oppervlaktewater of in het riool, maar ook in geval van calamiteiten, zoals bij brand (bluswater, lekkage).

Overheid met één gezicht

‘Het is belangrijk dat je met één gezicht optreedt’, zegt Peeters. ‘Bij inspecties werken we al langer samen. Bedrijven gaven aan dat het handig zou zijn als we ook aan de voorkant meer samenwerken. De nieuwe eis aan de veiligheidsrapporten bood de betrokken organisaties een mooie gelegenheid om nog een slag te maken op het gebied van die samenwerking.’ De uitdaging was om de beoordeling efficiënt en uniform uit te voeren. Een aanzienlijke klus: ‘Het leverde een enorme toename aan rapporten op, en dus de nodige werkdruk.’

Inventarisatie en taakverdeling

De projectgroep is nu ruim een half jaar bezig. Peeters: ‘We begonnen met een inventarisatie: wat is er precies veranderd? Vervolgens hebben we een aantal andere vragen beantwoord, zoals: wat loopt er al, en waarop kunnen we voortborduren? Daarnaast hebben we voor alle organisaties checklists gemaakt, zodat duidelijk is wie welke onderdelen van het veiligheidsrapport beoordeelt.’

De indeling van het veiligheidsrapport is niet aangepast. Nieuw is het beschrijven van externe risico’s door overstromingen en aardbevingen. ‘Het gaat om de werkelijke risico’s verbijzonderd voor de locatie’, verduidelijkt Peeters. ‘Relevant daarbij zijn de aard van de processen en de locatie.’ In het veiligheidsrapport moeten de bedrijven een risico-inschatting maken en aangeven hoe die worden beheerst. Met andere woorden: welke maatregelen worden getroffen? Het gaat dan bijvoorbeeld om de vraag of in een overstromingsgebied de chemische processen kunnen doordraaien of dat ze moeten stoppen. En over hoe dit snel en veilig kan. Een ander voorbeeld is het risico dat opslagtanks met gevaarlijke stoffen gaan drijven. Als dat risico bestaat, moet het Brzo-bedrijf aangeven welke maatregelen ze nemen om te voorkomen dat er gevaarlijke situaties ontstaan.

Beoordeling in 3 stappen

De betrokken overheidsdiensten beoordelen de veiligheidsrapporten in 3 stappen:

  1. Allereerst checken ze op compleetheid: zijn alle benodigde stukken ingezonden die nodig zijn om een inhoudelijke beoordeling te kunnen uitvoeren? Als het nodig is, vragen ze aanvullende informatie.
  2. Daarna beoordelen ze inhoudelijk. In deze bureaubeoordeling controleren ze of de gevraagde informatie correct is verstrekt.
  3. Tot slot volgt de inspectie op locatie. De inspectieteams controleren of wat beschreven is in het veiligheidsrapport overeenstemt met de praktijk. Ze kijken naar de beschreven risico’s: kloppen de genoemde hoeveelheden en stoffen? En ze kijken naar de beschreven maatregelen: gebeurt er wat wordt beloofd? Alle genoemde maatregelen worden bekeken.

‘We hebben landelijk overleg om afspraken te maken over de bureaubeoordeling en de inspecties’, zegt Peeters. ‘We zijn aan elkaar gebonden en soms hebben we een verschillend oordeel over de verstrekte informatie. Vanwege de gelijke behandeling van de bedrijven is het dan wel van belang om voldoende geharmoniseerd te werken en waar nodig tot overeenstemming te komen. Dat loopt niet allemaal vanzelf; de beoordeling van al die rapporten vraagt om flinke capaciteit.’

Zoektocht

‘Wat tot nu toe vooral opvalt is dat we veel aanvullingen moeten vragen aan de betrokken bedrijven’, zegt Peeters. ‘Dat is te begrijpen, want bij de nieuwe onderwerpen is het nog een zoektocht naar het juiste niveau van invullen.’ Een belangrijke oorzaak van de vertraging is volgens Peeters het vrij late publiceren – op 23 november 2016 – van de richtlijnen voor het invullen en beoordelen van het veiligheidsrapport. Deze richtlijnen zijn verzameld in ‘PGS 6’, een deel uit de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen. ‘Die geven aan wat de interpretatie moet zijn van de wetgeving. Dat biedt bedrijven handvatten bij het opstellen van de veiligheidsrapporten en de overheidspartijen bij de beoordeling.’

PGS 6 is tot stand gekomen in dialoog met de betrokken bedrijven. ‘De totstandkoming duurde langer dan gepland, maar het was geen excuus voor het niet indienen van het veiligheidsrapport’, zegt Peeters. ‘Op 1 juni was er nog maar een klein deel van de stukken binnen. We hebben coulant gehandeld. Waar het nodig en verantwoord is, geven we ruimte. Tegelijkertijd gaven we wel aan dat alles wat kán ook móet gebeuren.’

Bureaubeoordeling

Inmiddels hebben nagenoeg alle betrokken bedrijven een veiligheidsrapport ingediend. In dit eerste kwartaal krijgen de meeste bedrijven bericht over de bureaubeoordeling. Het gaat dan om een voorlopig oordeel. Bij een aantal bedrijven voldoen de aanvullingen nog niet. Ze krijgen de ruimte om het veiligheidsrapport opnieuw aan te leveren of aanvullingen te doen, maar dan wel met een dwangmiddel – bijvoorbeeld een mogelijke boete – als stok achter de deur.

Peeters: ‘We verzamelen ook reacties om de kaders waar nodig te kunnen verduidelijken. Zo organiseren we bijeenkomsten over het onderdeel overstromingen, zodat we verbeterslagen kunnen maken. Uiteindelijk geeft de overheid aan wat wel of niet moet gebeuren, maar we hebben de input uit de praktijk nodig om tot een juiste invulling te komen.’

Het aantal bedrijven, dat nog geen volledig rapport heeft ingediend, is beperkt. Peeters: ‘Daarbij wil ik benadrukken: dat betekent niet dat er acute risico’s zijn bij die bedrijven. Ze moeten aan veel eisen voldoen en worden regelmatig gecontroleerd. Maar het is wel van belang dat ze zo snel mogelijk met een accuraat veiligheidsrapport over de brug komen.’ Bij bedrijven die nu in gebreke zijn, volgen sancties om tekortkomingen op te heffen. De ernst van de overtreding bepaalt de interventie, bijvoorbeeld de hoogte van een dwangsom of de termijn waarbinnen de overtreding ongedaan moet zijn gemaakt.

Inspecties

Vanaf maart 2017 vinden de inspecties plaats. Dat duurt ongeveer een jaar. ‘Als projectgroep bewaken we de voortgang van het proces: waar moeten we nog punten op de i zetten? We delen ervaringen, zodat de beoordelingskaders zoveel mogelijk geharmoniseerd zijn. Het is belangrijk dat we alle bedrijven langs dezelfde meetlat leggen.’

‘Het is essentieel om ook de inzet bij de inspecties goed met elkaar af te stemmen’, zegt Peeters. ‘Naast de harde kant van technische installaties en veiligheidsmanagementsystemen wordt ook de zachte kant beoordeeld. Bijvoorbeeld: hoe communiceert de bedrijfsleiding over deze systemen en het belang ervan? Je kan wel allerlei veiligheidssystemen hebben opgetuigd, maar daar heb je niets aan als individuele werknemers zich onvoldoende bewust zijn van de noodzaak ervan, of de maatregelen zelfs omzeilen. Denk aan een werknemer die in de buurt van brandbare stoffen zonder verdere voorzorgsmaatregelen met een gasbrander aan het werk is en zo brand veroorzaakt.’

Acteren op risico’s

‘Het veiligheidsrapport is belangrijk, omdat het bedrijf transparant moet opereren en verantwoording moet afleggen’, zegt Peeters. ‘Bovendien is het een heel concreet belang van individuele bedrijven. Ook in het kader van de continuïteit van het bedrijf moeten ze gewoonweg acteren op risico’s. Ze moeten er dus wel aandacht aan geven.’

Hogedrempelinrichtingen en het veiligheidsrapport
In het Brzo 2015 gaat het in totaal om ongeveer 384 bedrijven; dit aantal fluctueert. Afhankelijk van de aanwezige hoeveelheden gevaarlijke stoffen en mengsels staan die bedrijven te boek als lage- of hogedrempelinrichting. De bepalende waarden zijn te vinden in bijlage 1 Lijst van gevaarlijke stoffen (deel 1 en deel 2) van de Seveso III richtlijn (2012/18/EU).

Veiligheidsrapport

De hogedrempelinrichtingen – 240-250 bedrijven in totaal – moeten een veiligheidsrapport opstellen. Het veiligheidsrapport beschrijft de actuele veiligheidssituatie bij de inrichting, aan de hand van informatie over bestaande risico’s, getroffen maatregelen en mogelijke ongevalsscenario’s.