Een pittig dossier PGS 29

De actualisatie PGS 29, er zijn weinig mensen binnen ons domein die er geen mening over hebben: you either hate it or love it! Heel veel tinten grijs zijn er amper in dit traject.

Richtlijn bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks. PGS 29; een pittig dossier.

In 2008 is de actualisatie en het beheer van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) door de rijksoverheid overgedragen aan een zelfstandige beheersorganisatie. De praktische inrichting van deze organisatie is in overleg met alle betrokkenen en belanghebbenden tot stand gekomen. Deze werkwijze is bekrachtigd door het Bestuurlijk Omgevingsberaad VTH beter bekend als het BOb.

Bedrijfsleven, overheden en kennisinstituten zorgen gezamenlijk voor de inhoud van deze PGS- richtlijnen. Hierbij spelen actuele ontwikkelingen en behoeften van de belanghebbenden een belangrijke rol. Deze coproductie zorgt ervoor dat het opstellen en periodiek aanpassen van richtlijnen in gezamenlijkheid plaats vind. De PGS-richtlijnen geven aan welke voorschriften en criteria de overheid kan toepassen bij vergunningverlening aan bedrijven die met gevaarlijke stoffen werken.

Zo is het ook verlopen met de PGS 29. In december 2016 is de geldende versie 1.1 gepubliceerd waar in bijlage H ook het beleidskader plasbranden in tankputten is meegenomen. Deze versie bevat enkele zogeheten non consensus voorschriften: standpunten tussen bedrijfsleven en overheid zijn bij deze voorgestelde voorschriften te ver van elkaar verwijderd, vandaar dat er geen consensus over bestaat.

Een reflectie geven op de totstandkoming van een vernieuwde PGS 29 zonder daarbij een waardeoordeel te geven is héél lastig. Dit heeft te maken met de (grote) belangen voor de betrokkenen én de enorme verschillen in inzicht op enkele thema’s binnen deze PGS-reeks.

Vergeef het de auteur als de moeite wordt bespaard om vooral objectief te spiegelen. Dat is simpelweg onmogelijk… Het is een pittig dossier.

De revisiewerkgroep PGS 29 heeft zich sinds 2013 (!) bezig gehouden met een nieuwe revisie van de richtlijn voor voorschriften over de bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks.

Drie jaar was er nodig om te komen tot een richtlijn waar iedereen zich redelijk in kon vinden. Dit is zelfs voor het Nederlandse ‘polderen’ ongekend lang. Uiteindelijk is het gelukt om op de meeste punten consensus te bereiken. Een compliment aan de betrokkenen hiervoor in de volledig breedte is echt op z’n plaats. In tegenstelling tot sommige percepties, is het poldermodel niet een stille dood gestorven. Integendeel, het is uitsluitend zwaar beproefd.

Op dit moment is de PGS 29 versie 2016 1.1 middels de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) vastgelegd en daarmee beschouwd als best beschikbare techniek.

Hieronder volgt een uitgebreide beschrijving van de werkwijze hoe een PGS richtlijn tot stand komt:

PGS werkgroep plasbranden in tankputten – fase 1

Begin 2016 is een werkgroep met een beperkt aantal deelnemers gestart, om het onderdeel plasbranden in tankputten bij de horens te vatten. Het doel was om een kader te beschrijven waarbij de aspecten die door IenM staatssecretaris mw. Dijksma aan de orde werden gesteld, vorm te geven. De strekking van haar brief aan VNO NCW was o.a. dat tankputbranden reëel en typerend zijn en daarmee tankopslag bedrijven een verplichtend karakter kregen om maatregelen te treffen om de effecten te beperken en uiteindelijk het incident te bestrijden. De bedrijven dienden over te gaan tot het plaatsen van overvulbeveiligingen en stationaire of mobiele koel- en brandbestrijdingsvoorzieningen. Het moet gezegd worden dat ondanks dat de vertegenwoordigers namens brancheorganisaties VOTOB, NOVE, VNCI en VNPI fel gekant zijn tegen de beleidsbrief van IenM, professioneel en transparant een meewerkende rol namens alle PGS 29 tankopslagbedrijven hebben ingevuld. Nee, een ‘walk through the park” was het niet. Maar door begrip voor elkaars standpunten te hebben en op sommige momenten over de schaduw heen te stappen, is er een mooi resultaat ontstaan. Na enkele door VNO NCW georganiseerde sessies is besloten de indiening van implementatieplannen plasbrandbestrijding in tankputten, in twee fasen te splitsen. Hierbij waren de Brzo-omgevingsdiensten (Brzo-OD’s) en de veiligheidsregio’s (VR’s) middels het LECBrandweerBrzo (LECBrzo) nauw betrokken.

In de eerste fase hebben zo’n zeventig bedrijven kenbaar gemaakt middels enkele parameters, onder welke ernstcategorie de tankputten vallen als het gaat om effect op omgeving of mate van escalaties en met welke repressieve voorzieningen (mobiel dan wel stationair of een combinatie hiervan) ze verwachten plasbranden in tankputten te bestrijden en beheersen.

Het betreft de volgende parameters:

  • Aard van producten in tanks
  • Aard van omgeving
  • Ontwrichting infra/media/politiek
  • Kwetsbare objecten/groepen
  • Escalatie brand/explosie.

De veiligheidsregio’s hebben de omgevingsdiensten ondertussen geadviseerd en uiterlijk 1 november (1 maand later dan voorzien) zullen de bedrijven van het bevoegde gezag Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) de reacties ontvangen.

Werkgroep beoordeling implementatieplannen - fase 2

De voorgaande fase betreft voor de desbetreffende bedrijven een voorlopig oordeel. In de tweede fase zullen de betrokken bedrijven in detail ingaan op de keuzes en vooral de bestrijding van de incidenten. In deze tweede fase zal een format geformuleerd worden waarmee tankopslagbedrijven en adviesbureaus aan de slag kunnen, op een zoveel mogelijke uniforme wijze.

Ook voor deze fase is een werkgroep gestart waarbij naast het bedrijfsleven, ook de veiligheidsregio’s, omgevingsdiensten, ISZW en het LECBrzo betrokken zijn.

Inhoudelijke onderdelen die voor deze fase van belang zijn onder andere: .

  • Escalatie scenario’s
  • Tijd tempo bestrijding
  • Gegarandeerde aanwezigheid voorzieningen
  • Veilig optreden (interne en externe) hulpverleners. Er wordt nadrukkelijk beoordeeld op het gelijkwaardigheidsbeginsel. Bij de implementatieplannen wordt aan de hand van het voorspellend karakter van de ontwikkeling van de tankputbrand, bepaald of de genoemde maatregelen passend zijn. Net als bij de voorgaande werkgroep, geeft dit onderwerp de nodige pittige discussies. Maar altijd met de juiste intenties en argumenten. In de groep is bepaald dat niet telkens uitzonderingen de regels bepalen.

Het streven is om uiterlijk december klaar te zijn met dit format. Uiteraard wordt daarbij kritisch gekeken naar de haalbaarheid voor de bedrijven om tijdig de plannen in te leveren, dat naar alle redelijkheid. De datum van 1 maart 2018 die eerder genoemd is, zal daarom waarschijnlijkheid worden verschoven. In samenspraak met omgevingsdiensten zullen de uiteindelijke data worden gecommuniceerd met de betrokkenen bedrijven. De wettelijke deadline van 1 januari 2022, waarbij de maatregelen operationeel en geborgd moeten zijn in de omgevingsvergunning en bedrijfsbrandweer aanwijzingen, levert vooralsnog geen problemen op en is haalbaar.

Door Brian Mo-Ajok Landelijk Expertisecentrum (LEC) BrandweerBRZO.
Voor vragen en informatie neem contact op met bureaubrzo@rws.nl.